Opgraving in uitvoering.

 

Binnen de vestingwal van de VOC-stad Enkhuizen is tijdens archeologisch onderzoek een leerlooierij gevonden. Van dit vroeg-industriële complex zijn hoornpitten van runderen, kuilen voor het looien van het leer en eikenschors voor het bewerken van de huiden gevonden. De grote looierij is aangelegd na 1590 en lag binnen de vesting. Vanwege de grote behoefte aan gezouten vlees als proviand op de handelsvloten in de Gouden Eeuw werden veel runderen uit Sleeswijk-Holstein en Jutland geïmporteerd, vetgemest, geslacht en vervolgens gezouten. De huiden bleven over en werden tot leer verwerkt. Het onderzoek wordt eind deze week afgesloten.

 

Tijdens de opgraving zijn zeer veel hoorns en hoornpitten gevonden.

 

Een vroeg industrieel complex in de binnenstad

De afgelopen weken wordt in opdracht van Welwonen een archeologische opgraving uitgevoerd tussen de Romeinstraat, Davidstraat en Korte Davidstraat in het historische centrum van Enkhuizen. Na het onderzoek zullen op deze locatie nieuwe woonhuizen worden gebouwd. Het onderzoeksgebied ligt binnen de grote stadsuitbreiding van Enkhuizen uit 1590. Op het terrein zijn meerdere ambachtelijke werkplaatsen aangetroffen. Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat voorafgaand aan de stadsuitbreiding bestaande sloten zijn gedempt waarna het gebied is opgehoogd. Vervolgens zijn aan de straten huizen en werkplaatsen gebouwd.

 

Houtsnede looierij 16de eeuw.

 

Leerlooierij

Veel archeologische resten, zoals meer dan honderd hoorns en hoornpitten van runderen, de aanwezigheid van ‘eek’, een watersysteem en grote rechthoekige kuilen, wijzen op een leerlooierij. Huiden werden na de slacht met de hoorns en een deel van de schedel geleverd om de diersoort te kunnen bepalen. Op locatie werden de hoorns van de huid gesneden. Vervolgens moesten de huiden nat worden gehouden en bewerkt met urine, kalk en mest. De urine en kalk diende om vet en haar van de huiden te verwijderen. Om het leer zacht te houden werd vervolgens mest gebruikt. Mogelijk hebben de grote rechthoekige kuilen aan de Romeinstraat hiervoor gediend. Ook de tonputten zouden hiervoor kunnen zijn gebruikt. Verspreid over het terrein is een aantal kuilen met dierlijke mest aangetroffen. Aanwijzingen voor het gebruik van urine of kalk ontbreken vooralsnog. Om de huiden te looien, werd vervolgens doorgaans de schors van de eikenboom gebruikt, ook wel ‘eek’ genoemd. Een leerlooierij heeft erg veel stromend water nodig. Een waterloop aan de noordoostzijde van het terrein zorgde hiervoor. Aan de westzijde van de waterloop is haaks op de Noorderboerenvaart een dam opgebracht om het water te leiden.

 

Huizen en schuren

Aan de Davidstraat werden de houten funderingen van een drietal huizen teruggevonden. Hier achter stonden houten schuttingen die zich meer dan 15 meter achter de achtergevels uitstrekten. De andere huizen en ateliers waren van baksteen. De baksteen muren van de huizen en werkplaatsen zijn grotendeels verdwenen. De crisis waarin Enkhuizen na 1700 terecht kwam veroorzaakte leegstand. De huizen werden gesloopt en de bakstenen verkocht als tweedehands bouwmateriaal.

Meer dan tien houten tonnen zijn op de erven teruggevonden. Twee bezaten een open bodem en waren in gebruik als waterput. De overige tonnen waren onderin dicht en werden gebruikt als afvalton of bij ambachtelijke werkzaamheden. De waterloop van de looierij is dichtgeraakt met dikke pakketten lichtgrijze en donkergrijze klei, afgewisseld met dunne lagen afval, waaronder keramiek uit de 17de eeuw.

 

Opgraven van de dam.

 

Topografie van de stad

De handel in ossen was voor Enkhuizen belangrijk. In de 16de en 17de eeuw werden massaal jonge stieren geïmporteerd, deze kwamen per hoef uit Jutland en Sleeswijk-Holstein of per vrachtschip langs de Waddeneilanden naar Enkhuizen. In Enkhuizen werden ze door de veedrijvers afgeleverd. Deze ‘cowboys’ verbleven dan tijdelijk aan de straat Ossenmannetjes , ten noorden van de Noorderboerenvaart. De ossen werden door de veehandelaars verkocht aan de Westfriese veeboeren, die ze op de grazige weiden vetmesten. Na een paar jaar kwamen de ossen door de Koepoort weer binnen. Door de koehandel op de veemarkt aan de Nieuwe Westerstraat werden ze wederom verkocht om vervolgens ergens in Enkhuizen te worden geslacht. De locatie van de grote slachtplaats in nog niet bekend, maar zal niet ver van de looierij hebben gelegen. Het vlees werd gezouten en als tonnenvlees aan boord van de vloot meegenomen als proviand voor de zeereis. Omdat de noordwesthoek van Enkhuizen zoveel ossen kende, werd het ook wel de ‘Ossenstad’ genoemd.

Na 1700 zette de achteruitgang, werden nagenoeg alle gebouwen gesloopt en het terrein geëgaliseerd met een laag as gemengd met enorme hoeveelheden aan 17de-eeuwse keramiek. Naast het aardewerk voor dagelijks gebruik is ook luxer importaardewerk uit onder meer Frankrijk, Italië en China aangetroffen.

Voorbeeld van een gelooide huid, afkomstig uit het Leerwrak bij Texel.