|

Archeologie West-Friesland heeft in april 2021 een zesdaagse opgraving aan de Hoofdstraat in Bovenkarspel succesvol afgerond, schuin tegenover het medisch centrum. Vlak voor het onderzoek bedacht het team een nieuwe aangepaste strategie om dit perceel beter te kunnen onderzoeken. In plaats van de bouwcontour te volgen en daarbinnen laagsgewijs te verdiepen werd aan de straatzijde over de volledige breedte van het perceel een diepe sleuf gegraven om zo zicht te krijgen op de bodemopbouw, diepte van de archeologische resten en de mate van intactheid. Het leverde uiteindelijk twee prachtige profielen op met doorsnedes door een 14de eeuwse huisplaats.

Droneopname tijdens de aanleg van de sleuf aan straatzijde.

Ergens tussen 1300 en 1400 is de sloot langs de huidige Hoofdstraat (een binnenwaterkerende dijk) gedempt met grote brokken veen die vermoedelijk in de directe omgeving zijn gestoken. Na de demping heeft men een plateau of huisterp opgeworpen van 12 meter breed en 25 m lang. Dit plateau bestond uit veenbrokken afgedekt met een laag van gestoken kleizoden. Vermoed wordt dat deze zoden een graskant aan de bovenzijde hadden. Dat gras groeide weer aan elkaar waardoor een mooie stevige schil van de huisterp ontstond. Deze methode is nog steeds zichtbaar bij de huidige dijken.

Detail uit de kaart van J. Dou van rond 1650. Het plangebied ligt ter hoogte van de rode pijl.

Op deze verhoging stond een woonhuis. Doordat dit huis voornamelijk van hout en ander organisch vergankelijk materiaal is gebouwd, wordt daar weinig van teruggevonden. De kleivloeren, grote keien (stiepen) op de plek waar de palen stonden en een haard geven aanwijzingen voor de locatie van het huis. Aan de oostelijke flank van de huisterp werd een dik pakket van as en ander verbrand materiaal teruggevonden. Deze is hier in een of twee generaties ontstaan, doordat altijd op dezelfde plek het as uit de haard werd gedumpt. Tussen dit as was aardewerk en botmateriaal aanwezig. De lagen zijn bemonsterd om later te kunnen kijken wat voor zaden en andere kleine resten aanwezig zijn die iets kunnen vertellen over de eetgewoontes van de laatmiddeleeuwse bewoners.

In de dikke aslagen worden pollenbakken geslagen voor de monstername van zaden en dergelijke.

Op basis van historisch kaartmateriaal werd verondersteld dat bewoning in de Nieuwe Tijd vanaf de tweede helft van de 16de eeuw plaatsvond. Deze veronderstelling werd echter niet weerspiegeld in het bodemarchief. De oudste sporen uit de Nieuwe Tijd bestonden uit een muur, een poer en twee inpandige voorraadkelders (een aan de voorkant en een aan de achterkant van het huis). In de loop van de 17de eeuw of zelfs in de 18de eeuw werd het gebouw gesloopt en meer richting het oosten herbouwd. Hierbij werd efficiënt omgegaan met bestaande bouwresten. Zo werd de voorraadkelder aan de voorkant van het huis voor een deel dichtgezet en volgestort. De voorraadkelder aan de achterkant werd juist uitgebreid. Een munt uit de vlijlaag onder de kelder verraadde dat dit na 1702 moet hebben plaatsgevonden. Opvallend aan de nieuwe grotere kelder was de bakstenen goot, die op de vlijlaag onder de kelder was aangesloten. Deze liep richting de sloot aan de westzijde van het perceel en diende waarschijnlijk het doel om optrekkend grondwater en neerdalend hemelwater af te voeren. Hierdoor bleef de voorraadkelder betrekkelijk droog. Aan de buitenzijde van het gebouw stond tegen de achtergevel een waterkelder van gele bakstenen voorzien van een halfrond tongewelf.

Onder de middeleeuwse resten kwamen als klap op de vuurpijl nog sporen uit de Midden Bronstijd (rond 1400 voor Chr.) tevoorschijn. Het gaat om kuilenkransen, greppels en eergetouwkrassen (ploegsporen). Wederom aanwijzingen dat dit gebied intensief werd gebruikt in dit deel van de prehistorie.

Onder alle laatmiddeleeuwse ophogingslagen komen greppels en kuilen uit de Bronstijd tevoorschijn.

– Sander Gerritsen & Jasper Leek, Archeologie West-Friesland