2018 | Schardam, Etersheim en Warder | Edam-Volendam

De Alliantie Markermeerdijken gaat de aankomende jaren de dijk tussen Hoorn en Durgerdam versterken. Vooruitlopend op deze werkzaamheden worden diverse onderzoeken uitgevoerd. Een van deze onderzoeken heeft betrekking op de zwerfkeien die langs het tracé liggen.

Voor de komst van de stenen waren de dijken voornamelijk verstevigd met paalweringen en wierriemen met een houten bekisting. In 1731 brak de paalworm crisis uit. Een plaag van deze wormvormige mossel zorgde voor een acuut en groot probleem. Het beestje (Teredo navalis) vrat zich in het hout van de paal- en wierdijken waardoor de uitgeholde palen massaal afbraken. In deze periode probeerde men op diverse manieren de paalworm te bestrijden, maar niets bleek afdoende. In 1733 werd voor een oplossing gekozen die het uiterlijk van de dijken tot vandaag de dag zou bepalen. Langs de buitenzijde van de dijk verwijderde men de meeste houten onderdelen en werd een steenglooiing gemaakt van zware zwerfkeien.

Uit historische bronnen is bekend dat in eerste instantie keien uit Midden-Drenthe en het gebied rondom de Hondsrug werden gehaald en later uit het Oostzeegebied. Waar deze ‘Noordse stenen’ zoals ze worden genoemd, precies vandaan komen was niet bekend.

Om hier meer zicht op te krijgen is tussen juni en september 2018 een inventarisatie uitgevoerd door Harry Huisman en Marja Braaksma, beide verbonden aan de geologische afdeling van het Hunebedcentrum te Borger in Drenthe. Langs het gehele dijktraject is gekeken naar aanwezige steen- en ondersoorten. Op basis van de samenstelling van ondersoorten kunnen uitspraken gedaan worden over herkomstgebieden en de daarmee samenhangende handelsnetwerken. Soms kunnen zelfs afzonderlijke scheepsladingen worden onderscheiden. Opvallend is dat het noordelijke dijkdeel tussen Hoorn en Etersheim, vooral bekleed is met stenen uit de omgeving van Drenthe en dat het zuidelijke deel meer importen uit het Oostzeegebied bevat.

Uit historische bronnen is bekend dat in Drenthe niet alleen losse zwerfkeien werden verhandeld maar ook delen van hunebedden die daarvoor werden vernietigd. Om deze monumenten te beschermen werd in 1734 al een resolutie aangenomen waarin de sloop van Hunebedden werd verboden. Het is daarmee de oudste erfgoedwet van Europa. Tijdens de inventarisatie zijn meerdere locaties aangewezen waar hoogstwaarschijnlijk onderdelen van Hunebedden zijn gebruikt. In de omgeving van Etersheim werd een groep van maar liefst dertien kei-fragmenten aangetroffen die van één grote steen afkomstig zijn. Vermoedelijk gaat het om de restanten van een deksteen van een Hunebed.

In het zuidelijke deel zijn de geïmporteerde stenen toe te wijzen aan afzonderlijke herkomstgebieden in Polen, Denemarken, Finland, Zweden en Noorwegen. Door het voorkomen van zeldzame ondersoorten kan een herkomstgebied soms zelfs worden verkleind tot een bepaalde groeve. Noemenswaardig is de aanwezigheid van een stuk Mieniet in de steenglooiing van de Markermeerdijken. 120 miljoen jaar geleden is in de omgeving van Mien in Zuid Zweden een meteoriet van enkele honderden meters doorsnee ingeslagen. Tijdens de inslag is zoveel energie vrijgekomen dat het lokale graniet deels is verdampt, gesmolten en later weer gestold. De aanwezigheid van deze en andere zeldzame keien en de informatie die zij bevatten zowel geologisch als historisch, is van onschatbare waarde. Door de inventarisatie is veel kennis vergaard over de oorsprong van de stenen en verschuivingen daarbinnen door de tijd. Momenteel wordt gekeken hoe een deel van de steenglooiing kan worden behouden voor de toekomst en op welke wijze het verhaal van de zwerfkeien en hun belangrijke rol voor de dijk, aan het grote publiek kan worden verteld.


Deze tekst is geschreven door Harry Huisman (Hunebedcentrum Borger) & Sander Gerritsen en eerder gepubliceerd in de Kroniek van Noord-Holland over 2018. In het rapport zijn de laatste resultaten en conclusies te lezen.


Download hier het volledige rapport