2017 | Den Burg | Texel

Het in 2017 uitgevoerde proefonderzoek in De Tuunen toonde aan dat prehistorische bewoning in dit gebied ten noordoosten van Den Burg afwezig was. Dit komt niet onverwacht; de lage ligging van de locatie, waar tot in de jaren dertig van de vorige eeuw geschaatst werd en tot de ruilverkaveling pitrus en biezenknoppen groeiden, planten die niet afkerig zijn van natte voeten, nodigde niet uit tot bewoning. Hogere en drogere alternatieven waren voorhanden in de nabije omgeving. Enkele plekken met gefragmenteerd huishoudelijk afval uit de 17de en 18de eeuw werden aangetroffen. Een aanleiding voor vervolgonderzoek was afwezig. Wel zou het gebied worden gemonitord op de aanwezigheid van toevalsvondsten.

In juni 2018 werd door de gemeentelijk toezichthouder gemeld dat zich in een van de bouwputten grote hoeveelheden jenever- en parfumflessen bevonden. Daarop is met behulp van Texelse amateurarcheologen een 1-daags onderzoek ingesteld. De concentratie was lineair, het huishoudelijk afval bevond zich in een ontwateringssloot uit de vroegmoderne tijd. De sloot was na de ruilverkaveling in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw voorgoed dichtgeworpen en aan maaiveld niet meer te zien. Bij het ontgraven van de bouwput kwam deze 1-1,4 m brede en 80 cm diepe sloot weer tevoorschijn. Opvallend was dat de onderzijde van de sloot vooral zeer ijzerhoudende drab bevond. De bovenzijde, een laag variërend van 40-60 cm dik was massief volgestort met grote fragmenten gebruiksvoorwerpen en zeer veel vlakglas. Bouwpuin was afwezig. De sloot was over een lengte van 25 m opengelegd, de overige delen zijn in situ bewaard in het plangebied en bevatten nog veel vondsten. De totale hoeveelheid vondsten in het blootgelegde stuk kan op 5 kubieke meter worden geschat. Dit was teveel om in een dag op te graven. Daarom is besloten een selectie te maken van de gave, gemerkte en bijzondere voorwerpen uit de sloot. De samenstelling van de vulling wijzigde om de paar meter. In het oosten lagen bijvoorbeeld veel meer steengoed jeneverflessen, in het westen meer glaswerk. In totaal is ongeveer 1m3 aan vondsten verzameld.

Uit de samenstelling van de vondsten bleek direct dat het hier niet om het afval van een Texelse boerenfamilie ging. Het was afkomstig uit een milieu waar veel werd gegeten en zeer veel alcoholische dranken werden genuttigd. Bij navraag bleek dat in de directe omgeving nooit een herberg of uitspanning was geweest.

De vondsten met een alcoholische functie bestonden uit een grote hoeveelheid geperste jeneverkruiken met daarin het stempel GERMANY en het merk binnenlands gedestilleerd zoals Bootz. De flessen varieerden in grootte. Daarnaast werden groene champagne- of wijnflessen, bierflessen en flacons aangetroffen. De hoeveelheid borrel- en wijnglazen was overstelpend. In mindere mate kwamen bierglazen voor. Behalve items voor drank werden ook theepotten, theezeven, koffiepotten en kop en schotels van witbakkend industrieel aardewerk en porselein gevonden. Op de onderzijde waren merken aanwezig zoals Regout Maastricht en Duitse porseleinmerken. Ook melkbekers met sjabloondecor en geschilderde koppen bevonden zich onder de vondsten. Grotere facetgeslepen glazen zijn mogelijk ijs- of vruchtencoupes. Witte eierdoppen, een zout- en pepervaatje van persglas in de vorm van een treinwagon, keramieken delen van een pop, glazen onderzetters en wellicht ook een rechaud behoorden tot de slootvulling.

De hoeveelheid middelgrote en kleine flessen van helder glas was omvangrijk. Het betreft persglas met daarin namen van de producent inhoud of herkomst. Hieruit viel af te leiden dat het om reukwater en medicinale zaken maar ook geleermiddel ging. Daarnaast is een grote hoeveelheid glazen inktpotten gevonden en tevens glazen voorraadflessen en de deksels daarvan. Vooral het glaswerk was hevig door de roest van de ijzerhoudende grond aangetast. Voor de persoonlijke hygiëne bleek uit witte glazen flessen ODOL mondwater te zijn gebruikt. De slechte adem werd mogelijk veroorzaakt door roken. Alhoewel maar enkele pijpenkoppen voorkwamen, was één geelbakkende pijp opvallend. Hierop was een decor van een klassieke open automobiel te zien. Ook zijn keramieken asbakken en luciferdooshouders opgegraven. Muziek werd vertegenwoordigd door de vondst van een kleine mondharmonica. Tevens zijn van keramiek grote kommen en een aantal lampetkannen gevonden voor het wassen van het lichaam.

Dat het niet alleen om eten en drinken ging, maar ook om voedselbereiding bleek uit de grijze Westerwald zuurkoolvaten met eenvoudige blauwe decors, een aardewerken tulbandvorm en andere bakvormen, glazen citruspersen in exact dezelfde vorm als tegenwoordig en mosterdpotten van Luyckx Amsterdam, Franse Mosterd en Japanse sojaflessen.

Opvallend mogen de geperste keramieken vormen van mensen, een ruiter en dieren worden genoemd. Mogelijk behoorden deze tot het ensemble van een Kerststal. Daarnaast zijn talrijke bloemenvazen met diverse decors van keramiek en glas aangetroffen en een aantal beeldjes van personen en dieren in Europees porselein.

De hoeveelheid vlakglas en persglas was enorm, hetgeen het graven soms hachelijk maakte. Behalve huishoudelijk afval werden ook hoefijzers van paarden, schoenen, sloffen, klompen en eenvoudige cadmium batterijen opgegraven. Een grote groene glazen bol bleek een drijver voor een visnet te zijn. Het enige bouwmateriaal betrof dakleer van bitumen met fijn grind. Ontbrekend in het vondstcomplex waren aanzienlijke aantallen grote en kleine tafelborden, metalen voorwerpen zoals conservenblikken en geëmailleerd goed, en dierlijk botmateriaal.

De interpretatie van de vondsten was lastig. Niets duidde erop dat dit afval van een boerderij uit de omgeving afkomstig was. Uit historische bronnen is bekend dat veel Amsterdams stadsafval en stadsdrek op de Waddeneilanden en zeker Texel werd gestort. Ook gebruikte men vermalen kalkpuin voor het verbeteren van de schrale akkers. De sleutel tot de oplossing van de vraag van de herkomst kwam een aantal dagen later. Bij het verder machinaal uitgraven van de sloot, draaide de aannemer het restant materiaal op een hoop. Deze hoop is door leden van de Duikclub Texel en anderen onderzocht. Hierbij kwamen kopjes, schoteltjes, een juskom en een tafelbord tevoorschijn waar in een groen drukdecor ‘Grand Hotel Restaurant Texel’ in een tekstband viel te lezen, met in het midden het wapen van Texel en een keizerskroon. Grand Hotel Texel is de directe voorloper van Hotel de Lindeboom aan de Groenplaats in Den Burg. Het was hier gevestigd vanaf 18.11.1896 tot de naam gewijzigd werd in Hotel De Lindeboom Texel.

Het hotelporselein en de overige inventaris is grotendeels van dit hotel afkomstig. Het afval werd kennelijk eerst gescheiden in een organische en vaste fractie. De vaste fractie stortte men in de sloten, het oud ijzer en organische deel elders.

Het vondstcomplex is bijzonder omdat het en duidelijke fase in de ontwikkeling van het eiland laat zien. Allereerst de opkomst van het luxe toerisme op Texel. Door heel Europa, dus ook Nederland, is de ontdekking van de kust te zien. De hogere stedelijke middenklasse heeft vrije dagen en geld om te reizen en te verblijven. De elite kiest voor het Kurhaus in Scheveningen, de anderen kiezen de Waddeneilanden. Op Terschelling (1880) en Schiermonnikoog (1887) wordt een badhotel gebouwd. Grand Hotel Texel wordt geopend in 1896 en hoort met het in 1884 van logement tot luxe hotel gepromoveerde Hotel de Lindeboom (voorheen de Stadsherberg (vanaf 1666 en vanaf 1787 de Keizerskroon genoemd) ook in deze rij. De bereikbaarheid van de Waddeneilanden verbeterde al inde 19dde eeuw door reguliere afvaarten zijn. Uit de vondsten spreekt dat het in topsgement horeca van destijds de gast aan niets ontbrak en men geheel aansloot bij de landelijke smaak en trends. Veel werd nog in eigen keuken gemaakt, maar de luxe werd geïmporteerd. Op basis van de vondsten kan het archeologische vondstcomplex vooralsnog tussen 1896 en ongeveer 1910 worden gedateerd.

De oude ansichtkaarten van Grand Hotel Texel geven een goede indruk van de vredigheid, luxe en gastvrijheid waarmee het verblijf in het hotel, het restaurant en de tuinen gepaard ging. Personeel in keurig gesteven uniformen, smetteloos gedekte tafels en een lounge in Indische stijl kenmerken het hotel. Treffend is dat op de foto van een voor een copieus diner gedekte tafel, exact dezelfde glazen en flessen staan als werden opgegraven in de Tuunen. Het zou de opmaat vormen naar het massatoerisme dat de Waddeneilanden en vooral Texel nu kenmerkt. Niettemin blijft het op het eiland goed toeven, ook waar het de culinaire en vloeibare kant betreft.


Deze tekst is geschreven door Michiel Bartels en eerder gepubliceerd in de Kroniek van Noord-Holland over 2018. Op dit moment wordt dit project uitgewerkt. In het rapport zullen de laatste resultaten en conclusies te lezen zijn. Als het project is uitgewerkt, zal het rapport op deze pagina te downloaden zijn.


Literatuur:

Corbin, A., 1989. Het verlangen naar de kust. Nijmegen.

Klaassen, Th. & M. Klaassen, 2018. Den Burg 1622-1830, Huizen, huiseigenaren en bewoners, Utrecht/Schoorl.

Pfeiffer, I. L., 2018. Grand Hotel Europa. Amsterdam.